dinsdag 18 oktober 2016

instructie tennis

                                                                              oktober MMXVI
 
Club Big Ali Sport

               t e n n i s     training
v o o r a f
                                  In de spiercellen van het lichaam zijn drie systemen werkzaam om energie te leveren voor het bewegen: Adenosine-trifosfaat werkt het eerste tiental seconden, is iets effectiever dan de beide andere en stelt onder meer in staat om te sprinten. Daarna wordt automatisch het melkzuursysteem enige minuten actief. En vervolgens begint er verbranding met zuurstof. Dit proces heet daarom aeroob. Het kan lang doorgaan. Op de fitness valt te kiezen uit: Shaping - dat is om een minder dik, een mooi lichaam te krijgen. De belasting moet laag zijn, zo'n 25% van maximale inspanning, zodat je het lang vol kunt houden. Conditie - een belasting vergend van ongeveer 50% en vaak per spiergroep een aantal minuten getraind. Hypertrofie -het meeste resultaat gevend voor spieropbouw en daarom populair bij bodybuilders. De belasting varieert tussen globaal 60 en 80% in 4 tot 6 sets met elk 6 tot 12 herhalingen. Explosieve kracht - dat is wat je nodig hebt bij wedstrijden; de belasting gaat tot 100%, maar met lichtere training tussendoor om gewenning, mindere prikkeling van de spieren in de herstelfase te voorkomen. 100% wil zeggen dat je er 1 keer in slaagt om de oefening, bijvoorbeeld bankdrukken, uit te voeren. 2 x wordt gesteld op 95%, 12 x op 65% en 25 x op 50%. Topsporters beginnen na vakantie of ziekte met conditietraining; vervolgens met selectieve spieropbouw en naar de wedstrijd toe wordt er met een gevarieerd programma gewerkt aan vergroting van de explosieve kracht. De spiercellen hebben als werkzaam bestanddeel mitochondrieën. Die reageren op training eerst met enige afbraak of slijten vanwege de belasting en daarna is er gedurende enkele dagen een herstelfase plus supercompensatie. De spiercellen nemen in omvang toe en er kan meer gepresteerd worden. Dit proces moet enige tijd gegund worden en daarom mag eenzelfde spiergroep  niet vaker dan een paar keer per week getraind worden. Buikspieren vormen hierop een uitzondering doordat deze vooral een statische funktie hebben. Westafrikanen hebben dikwijls een hoog percentage fast twitch, snel draaiende spiervezel, dat hen geschikt maakt voor de honderd meter. In Oostafrika overheerst het slow twitch, het langzamere type, dat goed in staat stelt om de marathon te lopen of langdurig te arbeiden. De rest van de mensheid zit ergens tussenin en het is goed om van jezelf te weten of je lichaam gebouwd is op het leveren van duurprestaties zoals de Elfstedentocht danwel veel spiercellen van het fast twitch type heeft De aantallen slow en fast twitch cellen kunnen niet veranderd worden, maar door gerichte training wordt de ene of de andere soort wel vergroot en verschuif je op de lijn dwars door Afrika. Het soort spiercellen dat mensen hebben is belangrijker dan de huidskleur voor de dagelijkse activiteiten. Een leeuw jaagt prooi en ligt de rest van de dag liefst in de zon te dutten. Zulke kortstondige activiteit met daarna wat op luieren lijkt komt ook wel voor bij lieden met veel van dat fast type spiervezel. Bij tennis is het energieverbruik ongeveer de helft van wat er nodig is voor intensieve ijshockey. De rallies, slagenwisselingen, vergen veel snel bewegen met inschakeling van de fosfaataccu, dat adenosiene-trifosfaat systeem. Maar daarna is er telkens even ontspanning. Buiten de baan is daarom intervaltraining aan te bevelen naast af en toe een duurloop voor de algehele conditie.
 
d e   b a s i s
                       De gewone slag in het tennis wordt wel vergeleken met het hanteren van een zweep. Om krachtig te slaan neem je een daartoe goede houding aan en tijdens het raken moet er maximale energie overgedragen worden aan de bal. Verschillende spiergroepen worden geactiveerd, die samen de spierketen heten. Het lichaam moet een houding innemen die het ontwikkelen van spierkracht niet belemmert maar optimaal doet zijn. Vandaar dat het indraaien, het dwars op de richting van de slag gaan staan zo belangrijk is. Mechanisch gezien bevindt de optimale plek waar het racket de bal moet raken zich schuin voor je op een afstand met noch ingetrokken, noch overstrekte arm. Dan is tevens goede uitzwaai mogelijk zodat de bal niet geduwd maar echt geslagen wordt. Beginners komen in hun ijver meestal te dicht bij de bal, houden te weinig ruimte over om rustig te slaan danwel flink uit te halen en vertonen rechtopstaand of zelfs achterover hellend een holle rug en krampachtige armbewegingen. Een beetje voorover buigen schept ruimte voor een gemakkelijke slag. Let op dat een hard court baan de bal hoog doet opstuiten, hetgeen vooral voor kinderen lastig is. Gebruik daarom voor beginners onder hen eventueel een tikkeltje zachtere ballen die lager blijven. Je ziet vaak op die harde banen ietwat gevorderde spelers wachten totdat de bal naar hen toekomt in een vrij vlakke lange boog na een krachtig opstuiten. Ze hoeven dan alleen nog maar met hun arm te zwaaien om de bal te retourneren en zien er heel tevreden uit. Dat is doodverkeerd als je hogerop wilt, alle spelsituaties daarom moet oefenen. Het geeft  veel voldoening en resultaat als je de bal al terug kunt spelen ruim voordat die na de stuit het hoogste punt bereikt, maar dat uitproberen is in dit kader iets voor later. 
Er zijn verschillende manieren om het racket vast te houden. Pak het racket in je linkerhand met het blad zuiver verticaal en de greep een dertig graden opwaarts gericht. Doe met je rechter of je iemand een hand gaat geven en open hiervoor die hand. Leg het racket dan met een draai van het blad linksom tussen nul tot vijftien graden in je rechterhand voor de forehand slag en idem de andere kant op voor de eenhandige backhand. Nu heb je een grip die heel geschikt is voor vlakke slagen zodat de bal hard en laag over het net gaat. Bij verder draaien van het racketblad is het gemakkelijker om spin-effect aan de bal mee te geven. Spin wil zeggen dat de bal een voorwaartse draaiing krijgt en daardoor aan de overkant van de baan sneller daalt zodat je vaker "in" slaat. Hiertoe moet er bij de slag een opwaartse, een verticale beweging aan het racketblad meegegeven worden. Dat snoept af van de kracht die in horizontale richting ontplooid wordt. De greep voor de dubbele backhand bestaat uit -als je rechtshandig bent- met de onderste hand pakken van het naar rechts gedraaide blad, terwijl de bovenste hand de linkse forehand grip krijgt. De arm van de bovenste hand komt bij de uitzwaai dan dicht bij je kin. De tweehandige backhand is zeer geschikt voor kinderen om mee te beginnen omdat de eenhandige meer aandacht vergt. Dit geldt ook voor ouderen en zwaai vooreerst van laag naar hoog. Pas later al dan niet met een halve of hele lus. Met dubbele hand spelen vergt nauwkeurig voetenwerk, dat veel minder variabel is dan bij de eenhandige slag. Hierdoor wordt bij goed voetenwerk snel een zekere slag bereikt. De tweehandige forehand heeft beide handen in de gewone forehand grip. Je moet zelf varieren met de grip als je meer of minder spin wilt toepassen en de slice gebeurt het best met een open blad.
Voor de volley hoort het racketblad iets rechtsom gedraaid te worden; je slag arm mag dan enigszins gebogen zijn maar bij de backhandvolley is een gestrekte arm het best. Zorg er meteen voor dat het blad niet achter je lichaam komt en pas slice toe met een neerwaartse beweging tijdens het raken van de bal. Dat maakt retourneren moeilijker. Je ogen moeten gericht zijn op het punt van contact met de bal. Ook de service en de smash doe je met een naar rechts gedraaid blad. Spin meegeven is iets voor gevorderden. De eerste opslag of service in een wedstrijd gebeurt normaliter zonder spin om de bal een zo groot mogelijke snelheid in voorwaartse richting te geven. Bij de tweede opslag is het absoluut noodzakelijk dat de bal in het servicevak terecht komt en daarom kiest men voor spin. Er wordt bij de tweede service even hard geslagen als bij de eerste, dus met maximale inzet van de werpketen, maar de toegepaste techniek verschilt. Ietwat grof gezegd doorloopt bij de vlakke forehand het racket een baan als van een schotel, terwijl bij de western grip voor het krijgen van spin er meer sprake is van een putje. Bij de tweede service wordt de bal dichterbij opgegooid zodat de zwaaiboog meer gekromd wordt. Individueel zijn er tal van variaties op het geschetste en door te oefenen alsook de cracks na te bootsen dien je tot een eigen keuze te komen. Tip: laat eens zien hoe de internationale toppers hun service uitvoeren. Merk op dat goede tennissers harder weten te slaan middels rotatie van het lichaam, waarop meteen maar niet tegelijk de armbeweging volgt. Dit is zeer belangrijk om vooruitgang te behalen. Evenzo moet de split-step toegepast worden op het moment dat de tegenstander de bal slaat, zodat je alle kanten uit kunt. Zodra je de bal geslagen hebt is het nuttig om een halve tel te reflecteren over de kwaliteit ervan en hoe dat te verbeteren.
 
k ij k!
                In de wedstrijd moet je proberen tempo te maken, zodat de tegenstander te laat bij de bal komt en die niet goed meer terug kan spelen. Het is zaak om wijken zoveel mogelijk te vermijden; dus niet achteruit lopen als dat niet nodig is. Eerder bij de bal komen houdt in voorwaarts bewegen. Lees net als bij een voetbal wat er op de tennisbal staat: "Kom naar me toe!" Dat je dit zogenaamd moet lezen betekent dat er zeer nauwkeurig gekeken dient te worden waar de bal zich bevindt en hoe die beweegt. Naar de bal toegaand heeft het weinig zin om bij de voorbereiding van de slag arm en racket ver naar achteren te brengen, want bij het naar voren stappen sleep je die dan weer mee. Beter is het om deze slechts opzij naast de schouder te brengen en schuin voorwaarts te stappen. Oefen door het bovenlichaam een kwartslag te draaien zonder het racket ver te verplaatsen en stap dan ruim in waarbij het racket ten opzichte van de grond op ongeveer dezelfde plek blijft. Hieruit resulteert als het goed gaat een prima klaar staan voor een flinke slag zonder dat je overbodige bewegingen gemaakt hebt en dus geen tempoverlies lijdt. Dit kun je samen met je maatje kritisch droog trainen door het racket even opzij te leggen en met de hand elkaar aan te tikken. Het traject van het racket tijdens de slagbeweging valt op verschillende punten te analyseren en te controleren, bijvoorbeeld:
Ben je een kwartslag ingedraaid met een schuine stap naar voren en "door je knie"? Een stijf gestrekt been is niet bevorderlijk voor een snelle start in de atletiek of waar dan ook.
Was je snel genoeg met de voorbereiding, het op de juiste plaats arriveren, zodat je nog even tijd hebt om bij te shuffelen met je voeten totdat je optimaal stevig staat en met een verwoestende slag kunt uithalen? Gedraag je om op die goede plek tijdig te arriveren, timing heet dat, als een snel optrekkende raceauto en niet als een stoomlocomotief die doordendert. Doe buiten de baan daarom interval training, dat is sprintjes van enkele tientallen meters maken. Maar... ook zonder instappen kan er dikwijls een goede bal geslagen worden; dat heet met "open stance". Is leuk om met je maatje te bepraten.
Daar komt de bal en de oplettende tennisser kan uit de slagbeweging van de tegenstander informatie halen hoe die bal op jouw baanhelft neerkomt. Zeur nooit over wind, al vliegen de vogels achteruit, want die werkt traag in op de beweging van de bal en je hebt alle tijd om daarop te reageren. Nou ja, tenminste als je eenmaal tot de B-spelers te rekenen bent, want die weten hun voeten prima te gebruiken en zullen dan ook zweten bij een serieuze partij. C-spelers, tegenwoordig aangeduid met de speelsterktecijfers 5 en 6, hebben kennis en beheersing van de basisslagen. D-spelers tellen niet echt mee en horen les te nemen of gericht met elkaar te trainen. A-spelers kun je gratis bezig zien in de landelijke eredivisie, meestal omstreeks mei -juni. Sommigen van hen stevenen door naar internationale tournooien. Dat deze tennissers doorgaans een persoonlijke trainer hebben komt omdat telkens fouten dreigen in te sluipen bij hun techniek en omdat strategie en tactiek in het spel zeer belangrijk worden.
Daar komt de bal en het is zaak om die steeds in de gaten te houden. Bij het slaan niet naar de tegenstander kijken, want weten hoe en waar je de bal precies raakt is op den duur ook weten waar die terecht zal komen; vraag maar aan een voetballer! Dan de bal op het juiste moment met voorbedachte rade over het te ontplooien soort slag raken. Kies je voor een harde lange slag met kans dat de bal uitgaat of tegen het net belandt? Of wacht je op gelegenheid voor een afmaker, een winner en houd je zolang met spin de bal diep achterin? Ligt een stopvolley voor de hand? Wel, nooit van achter de baseline als de tegenstander snel is. De smash wordt door velen te weinig toegepast en leer ook een running lob aan, een hard met spin geslagen boogbal. Vergeet niet om je eindhouding te controleren. Blijken arm en racket om je lijf gedrapeerd dan valt er nog een en ander te verbeteren, want de normale eindhouding is met het racket op schouderhoogte. Blijf vervolgens niet stilstaan, maar ren naar een goede positie om de volgende bal te pareren. Dat is vaak een metertje midden achter de baseline, terwijl serve-volley spelers er kien op zijn om in de buurt van het net te komen. Vermijdt de krokodillenzone tussen service- en baselijn, althans blijf er niet kamperen, omdat je daar de bal op je voeten gespeeld krijgt zodat terugslaan erg moeilijk wordt.
 
 
O e f e n i n g e n
                                   Als je gaat sporten moeten de spieren warm zijn om blessures te voorkomen. Dat bereik je door met beperkte intensiteit je warm te lopen en bijvoorbeeld niet meteen te gaan springen, want dat is een hoge belasting. Vaak worden er ook lichte stretch oefeningen gedaan. Tot een jaar of achttien is dat eigenlijk niet zo nodig omdat er nog maar weinig bindweefsel in het lichaam gevormd werd. Om de bewegingsuitslag te vergroten moet je apart en rustig gaan trainen met meer herhalingen van de rekoefeningen, maar altijd zonder te veren. De warming-up valt prima te doen in combinatie met mini-tennis op de binnenste helft van de baan. De bedoeling is dan niet zozeer om de bal over het net te krijgen alswel dat je aan je techniek werkt, goed indraait en een volledige maar ontspannen slag uitvoert, oplet wanneer je naar voren moet omdat je de bal beter kunt volleyen en niet in de laatste plaats kijkt hoe je partner aan de overkant van het net het doet. Praten om elkaar te helpen is zinvol, maar sommigen ligt dat niet. Altijd moet de eerste bal die bij training of inspelen naar de partner geslagen wordt technisch volmaakt uigevoerd worden. Zo krijg je een automatisme dat steeds van pas komt. Alleen de tennisleraar die de hele dag op de baan staat mag smokkelen tot een minimum aan bewegingen.
Speel vanaf de baseline vervolgens afwisselend een tijdje backhand-backhand, forehand-forehand en gespreid, om te beginnen net voldoende voor twee stappen waarbij precisie en timing geoefend worden zonder zich te hoeven uitputten in het bereiken van de bal. Schiet de bal ver door zodat recreatiespelers die bij hen aangeleverd krijgen en niet hoeven te lopen, alleen nog maar met hun armen gaan maaien, dan is men niet bezig met goede training. Vraag daarom eventueel tenminste de eerste bal wat korter zodat je er niet omheen kunt een stap te doen. Vraag ook om een rustige wat hogere bal die onderweg wat meer tijd vergt zodat jij voldoende gelegenheid krijgt om het shuffelen uit te proberen. Dat is nodig voor het bereiken van de beste plek om te slaan. Sommige tennisleraren bevelen aan dat beginners het eerst aan de slag gaan met de volley omdat die op rustige ballen niet bijster moeilijk is.
Ben je iets gevorderd dan komen er oefeningen zoals de één rechtuit spelen en de ander cross. Ben je met z'n drieën dan wordt de single zo toegespeeld dat hij zonder te rennen een ferme technische slag kan produceren die het geeft niet waar op de helft van de dubbel belandt. Dat dubbel moet hun baanhelft dekken, niet werkeloos achterin blijven hangen maar als de spelsituatie dat vereist oprukken naar het net. Zo komt men met z'n drieën tot een hoog tempo. De opdracht voor het dubbel is dus voetenwerk oefenen plus precisie van in een rustig tempo plaatsen. Vanzelfsprekend wordt er gewisseld voor de verschillende taken. Een andere mogelijkheid is dat juist de singel optimaal moet rennen en werken terwijl de dubbel aan het net staat en zodoende een ontzettend hoog tempo produceert.
In de wedstrijddubbel is het belangrijk om het veld goed te dekken en geen gaten te creëren waar de tegenstanders kunnen scoren. Je ziet gauw genoeg bij andere dubbels welke opstelling hiertoe het best of het meest gebruikelijk is. Schat bij de keuze van je opstelpositie het aantal stappen dat je nodig zult zijn als de bal bijna buiten bereik komt en houdt er rekening mee dat een zeer schuin hard geslagen bal meestal uit gaat, terwijl een langzame bal te belopen valt.
Het oefenprogramma wordt voortgezet met volleren aan het net. De partner moet beginnen met aangeven van de bal op schouderhoogte links of rechts, zodat je met een schuin voorwaartse stap kunt indraaien voor de standaard volley. Bij het aanleren van de meest eenvoudige techniek mag het racket niet eerst achter de schouder gebracht worden maar gaat in een minieme beweging nog voorbij de voorste voet en wel op extra hoogte om vervolgens een tikkeltje neerwaartse beweging te kunnen maken voor een slice. Slice is het omgekeerde van spin en inplaats van hoog op te stuiteren blijft de bal laag. Dat wordt moeilijk retourneren voor de tegenstander en vandaar de simpele combinatie met de volley. Er kunnen allerlei andere soorten bewegingen gemaakt worden bij het net maar onthoudt dat het bovenstaande doelt op een minimum aan verplaatsingen en dus aan tijd zodat je niet in problemen raakt als het tempo hoog wordt.
De service of opslag is in de aard der zaak ongeveer gelijk aan de smash, die overal op de baan uitgevoerd mag worden en niet zelden tot een winnend punt leidt. Serveer met 1 bal en kijk bij je oefenpartner hoe die daarmee terug serveert. Dan steek je wat op over hoe het wel of niet moet. Je kunt ook meteen aan de smash beginnen, want die is in wezen immers gelijk aan de servicebeweging, behalve dat je eerst de juiste plek voor de uitvoering moet opzoeken. Een ezelsbruggetje is tellen tot drie: bij 1 zorg je ervoor om op die goeie plek te komen, bij 2 neem je zonder uitstel de correcte uitgangshouding aan met 90 graden indraai -je vinger mag naar de bal wijzen; in wezen krijg je zo een goede uitgebalanceerde houding- en bij 3 sla je toe, de bal voor je rakend op voldoend grote hoogte met de snaren van je racketblad ietsje boven de sweet spot, de beste plek voor de andere slagen. Als het goed is zorgt de partner voor een mooi toegespeelde boogbal en dat vormt ook een goede oefening. Lukt het na verscheiden keren proberen nog niet om redelijk te serveren of te smashen? Neem dan de hond mee naar het park en werp ballen die het dier van zover mogelijk apporteert. Immers wordt bij worp en smash of service dezelfde spierketen ingeschakeld.
Om precisie te oefenen kun je trambaan spelen: de bal wordt in het smalle vak tussen singel- en dubbellijn gehouden. Het muurtje is geschikt om bepaalde slagen of een grip uit te proberen, maar je krijgt er niet echt goede timing van. Dus zodra er een andere tennisser opdaagt, ook al heeft hij lager nivo, zal het goed zijn om naar de baan te gaan. Alleen wordt je met een zwakke tegenstander niet scherp voor een echte wedstrijd. Bedenk daarom welke oefeningen met zo iemand geschikt zijn om te doen. Zo kun je bij rustig overspelen het racket heel losjes in de hand houden. Als je de bal niet op de sweetspot raakt maar aan de zijkant dan gaat het racketblad kantelen. Deze oefening is bij profs niet ongebruikelijk. Je mag verder aan de partner speciale oefenballen vragen, zoals betrekkelijk langzaam en hoog halverwege het servicevak. Jij komt dan vanaf midden achter de baseline toegesneld om met spin schuin over het net een keiharde winner te slaan. Ook dit is een standaard-oefening als je B-nivo wilt halen. Dit nivo is doorgaans binnen enkele jaren te bereiken mits je niet als ballen afwachtende recreant op je vaste plek op de baan verblijft doch aan gerichte training doet en een en ander in practijk brengt tijdens de competitie en op tournooien. Ballen terugslaan is niet al te moeilijk als die naar jou toegespeeld worden. Vandaar ook dat tennisleraren die dit veelvuldig doen populairder zijn dan anderen. In een wedstrijd probeert de tegenstander precies het tegenovergestelde. Als je dan niet op looptechniek, timing en het verkrijgen van inzicht getraind hebt zak je door het ijs.
Jonge kinderen hebben tijd nodig om alles onder de knie te krijgen. Zij verkeren in een verkennende levensfase en het is goed om dan verschillende balsporten te proberen. Het is niet gezegd dat zeer jong geleerd de beste resultaten in het tennis geeft. Een racket is redelijk zwaar voor een kind en het is raadzaam om eventueel de arts of de fysiotherapeut te raadplegen of het kind al groot en sterk genoeg is. Zeer jonge kinderen hebben een relatief kleine "fosfaataccu" (weinig sprintvermogen), maar kunnen wel de hele dag bezig zijn (waarbij het aerobe systeem werkt dat vetten en suikers verbrandt; als die op zijn ook eiwitten!). Tot een jaar of tien is de spierkracht van de armen naar verhouding met de benen klein. Men observere hoe er met het relatief zware racket omgegaan wordt. Op school wordt dikwijls te weinig aan sport gedaan en daarom zijn inleidende werp- en vang-oefeningen met ballen van verschillende grootte nuttig. Dat kan heel goed in het park, waar je op het zachte gras ook mag vallen. Zo wordt de werpketen geoefend die bij service en smash optimaal geactiveerd dient te worden. Dikwijls is er verschil tussen kalenderleeftijd en biologische leeftijd; dit laatste behelst hoe ver het kind is in de ontwikkeling naar volwassenheid, alsook wat betreft de toename van spierkracht. Bij babies zijn hoofd en rompje relatief groot en pas omstreeks het vijftiende jaar krijgen jongens dezelfde proporties als volwassenen. Meisjes vaak enige jaren eerder. Training op zeer vroege leeftijd is waarschijnlijk van weinig invloed op latere prestaties, althans wat krachtsontplooiing betreft.
Bij het kopen van een racket valt te letten op het gewicht dat voor volwassenen enige tientallen grammen boven of onder de driehonderd kan liggen; voorts op de balans van het racket, dat wil zeggen is het blad relatief zwaar ofwel juist de steel. Deze worden respectievelijk gekozen door baseline spelers en service-volley lieden. Er is keuze uit de dikte van de grip, want die moet goed in de hand passen. Het aantal kilogrammen waarmee de bespanning aangezet wordt maakt het volgende uit: Strakkere bespanning is goed voor meer controle, terwijl minder kilootjes gunstig geacht wordt voor de power. Tegenwoordig vindt je aan uitleg ook opmerkingen over het soort zwaaibeweging dat jou eigen is en waarmee bepaalde typen rackets corresponderen. Voor kinderen zijn er lichte rackets met korte steel. Een algemeen toegepaste "oefening" is het uitproberen van rackets.
 
 
"i n"   o f   "u i t"
                                        Amerikanen menen dat de bal pas uit is als deze duidelijk zichtbaar buiten de lijnen neerkomt. Alle andere ballen zijn doodeenvoudig in. Er kan onenigheid ontstaan met spelers die vinden dat de bal uit is als ie niet duidelijk in is en zo worden er wel puntjes gesprokkeld. De officiële regel is dat de bal in is als de lijn geraakt wordt. Bij competitie en tournooien krijg je jouw speelsterkte vermeld op je deelnemerspasje, dat geldig is voor een heel jaar. Een deel van het voor de pas betaalde geld gaat naar de Tennisbond om kosten van het organiseren te dekken. Doorgaans krijgt men het pasje via de club, maar dit apart aanvragen bij de Koninklijke Nederlandse Tennisbond of afgekort KNLTB is mogelijk. De bedoeling is om spelers van ongeveer gelijk nivo tegen elkaar te laten spelen en dat wordt afgelezen aan de op het pasje vermelde speelsterkte. Meestal gaan de gravelbanen, met verharding van gemalen baksteen, begin april open en volgt meteen twee maanden lang de tenniscompetitie tussen teams van de clubs. Daarna organiseren die clubs elk afzonderlijk tournooien volgens het afvalsysteem die een week duren. Wil je in het komende seizoen tennisles dan is het van belang om goed ingedeeld te worden. Daarom moet je voorspelen, laten zien wat je al kunt. Wat je aan techniek in huis hebt is voor de leraar veel belangrijker om te weten dan hoe hard je kunt meppen. Pas dus op dat hij geen verkeerde indruk krijgt en zodoende jou te laag gaat indelen.
Bij grote tournooiwedstrijden mogen er geen kennissen of familie op de bank naast de baan zitten. Dit heeft de volgende diepere reden: Je bent met sport bezig en dat doe je samen met je tegenstander. Hij of zij heeft zo een relatie met jou die alle aandacht vergt en niet verstoord mag worden door andere personen te dichtbij op de bank. Samen moeten de sporters er het beste van maken en gadeslaan kan vanaf de tribune. Vroeger was er de etiquetteregel dat tenniskleding wit moest zijn. Aan dergelijke regels ligt vaak een praktische reden ten grondslag en in dit geval was het dat ondermeer zweetplekken op witte kleding weinig opvallen.
Tennis wordt gespeeld door jong en oud, man, vrouw, jongen en meisje in eenzelfde dubbel. Bepalend voor een mooie pot is ongeveer gelijk nivo der deelnemers. De tennissport is niet milieuvervuilend en goedkoper dan op een vrije dag rondrijden met de auto. Belangrijker dan het aanleren van een vreemde taal, engels niet uitgezonderd, is het kunnen omgaan met voetbal of basketbal of tennisbal. Hier hoort bij dat je leert je lichaam te verzorgen. Daarin zijn tussen haakjes wielrenners uitblinkers. Dan een paar woorden latijn leren mag ook, want je praat immers niet over de tweekoppige armspier maar zegt biceps. Idem op z'n internationaals triceps en pectoralis of op z'n amerikaans afgekort tot pec. De laatste is de grote borstspier die in de fitness extra getraind wordt om een hardere service te krijgen.
 
 
s o u p l e s s e   v e r g r o t en
                                                                                   Bij het ontplooien van sportieve activiteit is het van groot belang om soepel te bewegen en alleen daar waar het nodig is kracht te ontwikkelen door de spieren aan te spannen. Het tegenovergestelde, de spieren ontspannen, bespaart energie en het is zaak om verspilling door onnodig aanspannen te vermijden. Betere beheersing van de onderscheiden spieren helpt ook vooruit bij het aanleren van techniek. Daarom moet de beweging bij een slag met het racket op verschillende punten gecontroleerd worden. Speel de eerste bal door die uit de andere hand los te laten of gemakkelijker na een stuit. Lukt dit laatste nog niet goed gooi dan de bal hoger op voor een dubbele stuit zodat je meer tijd krijgt. Maak het weer moeilijker door de bal verder van je af op te gooien zodat je er naar toe moet rennen met voor de precisie nog bij shuffelen.
En tel eens een keertje: 1. uitgangspositie met gebogen knieen voor snelle start; 2. schouders 90 graden indraaien; 3.schuine stap vooruit en door de knieen in geschikte houding voor een ruime zwaai; 4. raak de bal met juiste bladstand schuin voor je; 5. uitzwaai, dus niet afbreken, en terug naar de startpositie.
Een extra oefening om het ontspannen beter onder de knie te krijgen is het volgende: Steek een arm recht vooruit op schouderhoogte. Ontspan vervolgens de betrokken spieren. Als de arm niet als een zoutzak naar beneden valt heb je niet echt resoluut ontspannen.
Draai ook eens, zonder racket, in voor een zachte backhandslag. Breng je arm in goede uitgangspositie voor het maken van de slag, bij dubbele backhand ondersteund door de andere hand. Als je nu de armspieren ontspant valt volgens de mechanische wetten de arm omlaag door de zwaartekracht en eindigt met een kleine uitzwaai. Vervolgens nemen we weer dezelfde uitgangspositie aan, ontspannen zodat de arm naar beneden begint te vallen, maar activeren dan de spieren tot een doorzwaai. Waar de bal geraakt moet worden dient het maximum van deze krachtsontplooiing te liggen. Goed inslaan betekent dit proces bewust een aantal keren herhalen, zodat je de bijpassende timing vindt. Moet je in de wedstrijd hard slaan en daarop het aanspannen van de spieren afstemmen dan zul je via deze oefening grotere efficiency bereiken. Laag geklasseerde spelers vallen door de mand omdat zij bij het inspelen verwaarlozen "de eerste bal" technisch perfect te slaan, uit gemakzucht frontaal richting het net blijven staan en de bal als het ware opscheppen. Altijd bezig om die eerste bal "volgens het boekje" te behandelen leidt tot begeerlijk automatisme in goed en gemakkelijk slaan. Bij het inspelen op een klein veldje gaat het er niet om de bal over het net te krijgen maar dien je het bewegen en de techniek voorop te stellen. De warming up is hier prima mee te combineren. Dikwijls worden zonder racket de lijnen van de tennisbaan belopen als warming up met eerst laag en daarna iets hoger tempo, al draaiend, swingend, shuffelend, enz. Om lenigheid aan te kweken kun je met heel verschillende partners bezig zijn in tal van oefeningen. In het judo speelt souplesse een grote rol en de kracht komt dan uit de "hara", het buiksegment. Naast tennis een andere sport beoefenen is niet slecht en ga na welke leuke afwisseling biedt. Als blessure komt soms r.s.i. voor, de "tennisarm", waarbij aanhechting van een spier dicht bij de elleboog geïrriteerd raakte door mogelijk overbelasting of ook andere spieren in de onderarm pijn gaan doen en wel zoveel dat je liever niet met die arm gaat tillen. Een variant van de r.s.i. is wel bekend bij mensen die de hele dag achter een computer zitten en mogelijk hadden in de Middeleeuwen monniken er al last van bij het staande schrijven. Het kan zijn dat bij deze kwaal kleine spiergroepen teveel te verduren krijgen terwijl grotere werkloos blijven. Zo ontstaat er onbalans; het zenuwstelsel merkt dit en geeft vervolgens (pijn)signalen af.
De tijdgeest stelt het winnen als zeer belangrijk voor en helaas is dit ook in de tennissport diep doorgedrongen. Het meeste plezier beleef je met partners van ongeveer gelijke sterkte en daarom heeft het ranking systeem nut. Maar uiteindelijk is beheersing van de techniek te verkiezen boven het gelukszwijn onder het net dat je moet aaien om de bal "in" te krijgen.
Mits met goede trainer en volop eigen inzet kan menigeen het B nivo bereiken, dat is een all round speler mogen heten, doch ook deze lieden hebben af en toe een slechte dag. In het Westerpark was er vroeger een tennismuurtje, fraai beschilderd met grafitti over Roland Garros. Stond je daar tegen te slaan en kwam er iemand langs met ongeveer hetzelfde nivo dan ging je samen naar de baan. Kwamen er meer spelers, ongeacht afkomst of opleiding, dan werd er gedubbeld. Bij drukte best of five games, waarna de winnaars een ronde mochten blijven staan. De wachtenden konden terecht voor een potje op het halve basketbalveld of keuvelen op de bankjes. Momenteel helaas niet in of bij het clubhuis van Big Ali Sport Vereniging. De voorzitter van de vereniging Erwin Josepha heeft van sponsor Cargill dit gebouwtje gekregen met uitdrukkelijk doel om de sport in de wijk Westerpark te bevorderen en gezien de vele leden en sponsors alsook het aanbieden van tennislessen slaagt hij daarin tot onze tevredenheid. Maar jaloerse en kwaadwillige ambtenaren schenden thans de vrijheid van vereniging en van onderwijs; ze hebben het clubhuis wederrechtelijk afgepakt en een grote organisatie voor daklozen en verslaafden drong zich er brutaalweg binnen, hoewel niets met sport te maken hebbend en tegen de bedoeling van de financier van het clubhuis. Het komend jaar zal Big Ali Sport naar verwachting weer volop draaien en nieuwe leden en medewerkers zijn welkom.
Wil je een boek lezen over tennis dan valt aan te bevelen Tennis Mastery, geschreven door David W Smith.
                

Geen opmerkingen: